Familiewebsite Gerda en Jo Schiffelers

Wie schrijft die blijft. Over ons en onze familie

Heeze-Leende.

Toen Jo als ambtenaar bij de gemeente Heeze begon te werken, moest hij in de gemeente komen wonen. Op zich was dat de enige methode om een plaats en zijn sociaal leven echt te leren kennen. Bovendien heb je in het vakgebied Ruimtelijke Ordening historische kennis  nodig om te weten waar je naar toe wilt c.q. kunt. Na zijn pensionering zijn wij ook lid geworden van de heemkundekring Heeze-Leende-Zesgehuchten. Ook in de geschiedenis van Heeze-Leende zijn veel interessante onderwerpen te vinden uit het verdere of jonger verleden. Ook hier zullen we hier nog op terugkomen met leuke onderwerpen.

Heeze als schildersdorp

Heeze is niet zo maar uit het niets door kunstschilders ontdekt. Daar ging toch het een en ander aan vooraf. Hoe moet je anders gehoord hebben van een boerendorp dat omsloten werd door bos en hei. 

De ogendominee van Heeze en de naamsbekendheid van het dorp
Hoewel Heeze pas in de tweede helft van de negentiende eeuw aan doorgaande wegen en verbindingen kwam te liggen, had het dorp toen al een grote naamsbekendheid. Deze naamsbekendheid was zeker niet in de eerste plaats te danken aan de grote hoeveelheden soldaten die hier tijdens de Belgische opstand waren gelegerd. En toch begon juist in die periode de groei van de naamsbekendheid van Heeze. Deze bekendheid was te danken aan de “ogendominee” van Heeze.
Johannes Leonard Arnold Kremer werd op 11 augustus 1798 geboren in het Limburgse Urmond als zoon Arnold Kremer en Johanna Christina Maria Geertruida Thielen. Zijn vader was predikant in onder andere Moergestel, Someren en Veldhoven.
Op 13 maart 1825 wordt Kremer door zijn vader in de kapel aan de Kapelstraat in het ambt van predikant bevestigd. Er was toen ruim 2 jaar geen predikant in Heeze geweest na het vertrek van Ds. Jean D. Cocheret de la Moniere naar Nuenen. Hij was overigens maar 4 maanden predikant in Heeze.
Ds. Kremer trouwt met de burgemeestersdochter Aaltje Pliester uit Terborg. Zij was geboren in Etten op 2 augustus 1796 als dochter van Pliester, Jan Hendrik en Noij, Johanna.  Zij overleed in Heeze op 15 mei 1867.
Uit dit huwelijk werden in Heeze 8 kinderen geboren waarvan 3 levenloos:
• Kremer, Christine Arnoldina Johanna, 16 oktober 1826, overleden in Heeze op 25 januari 1889;
• Kremer, Arnoldus Johannes Cornelius, geboren in Heeze op 28 september 1828 en overleden in Apeldoorn op 1 april 1918. Hij was op 22 juni 1871 in Heeze getrouwd met de dochter van dominee Diemont, Maria Adolphina. Johanna Diemont, geboren in Ameide op 10 december 1832 en overleden in Gorinchem op 11 oktober 1892. Aanvankelijk studeerde hij vanaf 1849 in Utrecht geneeskunde maar liet die studie varen. In 1867 werd hij boekhouder op een wolfabriek in Geldrop. Op 1 juni 1868 werd hij redacteur en op 1 januari 1869 hoofdredacteur van de Nieuwe Arnhemsche Courant. Dit bleef hij tot de opheffing op 1 januari 1878. Hij schreef meerdere boeken, novellen, verhalen, gedichten en geschiedkundige en natuurkundige opstellen. Hij schreef ook over plaatselijke bijzonderheden zoals de Strabrechtse Heide, de Kruiseik, archeologische vondsten;
• Kremer, Jan, geboren 29 september 1830;
• Kremer, Johan Constant geboren op 5 februari 1833. Hij is rijksontvanger in Culemborg en trouwt met zijn volle nicht Jacoba Maria Christina Hirzel von Kemten.
• Kremer, Theodorus Wilhelmus Adelbertus, geboren 13 juni 1843. In 1904 woont hij in Heeze.
Tijdens zijn studie aan de universiteit van Utrecht had Kremer ook oogheelkunde gestudeerd. In het verslag van het “Nederlandsch Oogheelkundig Gezelschap” van 7 juni 1903 wordt uitvoerig stilgestaan bij Ds. Kremer als ogendokter.  Wanneer Kremer de vrije keuze had gehad, was hij vermoedelijk arts geworden en geen predikant. Kremer had een bijzondere voorliefde voor de natuur- en geneeskundige wetenschappen. Wat wellicht minder bekend is, is het feit dat er in het begin van de 19e eeuw boeken beschikbaar waren voor pastoors en predikanten om iets aan gezondheidszorg te doen bij het ontbreken van geneesheren in de kleine plattelandsgemeenten. Bekend is dat Kremer ook na zijn studie in Utrecht regelmatig Nederlandse, Duitse en Franse medische tijdschriften is blijven lezen en bestuderen.
Vermoedelijk heeft de dominee al vanaf het begin binnen zijn kerkgemeenschap mensen geholpen. In 1834 doet zich echter een voorval voor dat zal zorgen voor zijn naamsbekendheid in binnen- en buitenland. Toen de Hervormde Gemeente in 1834 besloot om de kapel in de Kapelstraat te laten verbouwen/restaureren werd bij deze werkzaamheden een C. Jansen, metselaar in Heeze, betrokken. De man had echter een oogziekte en was al bij een aantal oogartsen in behandeling geweest. De ziekte verergerde echter waardoor de man vrijwel op het gevoel moest werken. Het gezin van Jansen leefde in armoede. Kremer was hier aanvankelijk niet van op de hoogte. Hij drong er vervolgens bij Jansen op aan om zich door hem te laten behandelen. Binnen veertien dagen was Jansen blijkbaar helemaal hersteld en kon weer volledig als metselaar aan de slag. Het dorp, dat de situatie van Jansen natuurlijk kende, was volkomen overdonderd. Deze eerste genezing van de dominee ging in een snel tempo van mond tot mond en steeds meer mensen van heinde en verre deden een beroep op de dominee. Soms verbleven bijna 300 mensen in het dorp om zich te laten behandelen. Toen de “Commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt in Noord-Brabant”, Kremer in 1836 verbood om door te gaan met zijn behandelingen ontstond er een golf van protest richting de Gouverneur van Brabant en zelfs de Koning. Er zelfs een onderzoek ingesteld op last van de Tweede Kamer. Kremer kreeg vervolgens mondeling en schriftelijk toestemming om zijn praktijk voort te zetten.
In het verslag van 1903 werd zelfs aangehaald, dat Kremer contacten had met Koning Willem II. Hij wordt in het verslag als patiënt genoemd, maar vermoedelijk gaat het daarbij toch om de behandeling van een natuurlijke dochter van de koning die bij Kremer in huis verbleef.
De hele commotie zorgde natuurlijk niet alleen voor de naamsbekendheid van Kremer, maar zeker ook voor die van Heeze.
Ook de journalist Eilert Meeter schreef in 1842 over Kremer: “Onderscheidene ooglijders, vervolgens uit ander dorpen en provinciën aangesneld, waaronder zich vele bevonden, die reeds lange jaren volslagen blind geweest en opgegeven waren geworden door de beroemdste oculisten, werden met zulk een gewenst gevolg behandeld, dat er, schier dagelijks, nieuwe lijders aankwamen”.
Kremer krijgt voor zijn werk al in 1846 een Koninklijke onderscheiding. Was dit een gevolg van zijn contacten met de Koning?
Helaas is er geen administratie bekend van mensen die allemaal bij dominee Kremer in behandeling zijn geweest.  Onder de patiënten van Kremer waren echter nog enkele mensen die er zeker toe zullen hebben bijgedragen, dat Heeze bezocht ging worden door een groot aantal kunstschilders.
Wucke, Christian Ludwig, geboren in het Duitse Salzungen op 28 januari 1807 en overleden op 1 mei 1873. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader die apotheker en arts was. Hij volgde het gymnasium en studeerde daarna van 1826 tot 1829 aan de universiteit van Jena rechten. Hij voelde er echter niets voor om jurist te worden. In die tijd kwam ook zijn passie en talent voor het tekenen en het maken van aquarellen bovendrijven. In die tijd legde hij veel stadsgezichten van Salzungen vast. Omdat zijn oom weigerde om geld beschikbaar te stellen voor het volgen van een opleiding aan de kunstacademie koos hij er voor om in dienst te treden van het Nederlandse leger toen hij toevallig in aanraking kwam met een werver. Hij kwam bij de eenheid van de hertog Bernard von Weimar en vocht tegen de Belgen tijdens de 9 jarige opstand. Hij schopte het tot korporaal.  Wanneer daar maar tijd voor was werkte hij aan tekeningen en aquarellen. Door een infectie aan zijn ogen begon hij slechtziend c.q. blind te worden. Hij moet tijdens zijn militaire tijd of daarna in elk geval in Heeze zijn geweest. Wellicht patiënt bij dominee Kremer. De hierna opgenomen aquaerellen bevinden zich in het archief van kasteel Heeze. Zij geven ons meteen een goed beeld van de situatie bij het kasteel tussen 1830 en 1836.
Terug in Duitsland begon hij met het verzamelen van volkssagen en legenden en legde die vast. In 1864 verscheen zijn eerste verzamelde werk. In 1873 kreeg hij voor zijn meer dan 800 sagen de in Duitsland hoogaangeschreven Schillerpreis met een fors bedrag. Tot op de dag van vandaag wordt hij in zijn geboorteplaats geeerd. In zijn geboortehuis is nog steeds een herinnering aanwezig. Ook werd een straat en een school naar hem vernoemd.
Voor Nederland nog meer van belang was de familie Knip.  Knip, Henriëtte (1821-1909).
Zij signeerde later als “Henriette Ronner”. In de begintijd gebruikte ze haar meisjesnaam en ook afkortingen als “HK” zijn bekend. Haar werkzame periode lag tussen 1836 en 1909. In 1837 verbleef zij met haar familie in Heeze voor de behandeling van vader Josephus Augustus Knip bij dominee Kremer. Haar vader was ook haar leermeester.  Josephus A. Knip was geboren in Tilburg op 3 augustus 1777 en overleed in Berlicum op 1 oktober 1847. Zijn vader was een stilleven en behangselschilder. Knip ontwikkelde zich als landschapsschilder en werkte veel in Italië en Frankrijk. In 1827 moest hij definitief terugkeren naar Nederland vanwege ernstige problemen met zijn ogen. Uiteindelijk werd hij blind. Henriëtte, die trouwde met Feico Ronner kwam dus uit een echte kunstenaarsfamilie en verkocht haar eerste kunstwerk al op 15-jarige leeftijd. In de database van de RKD wordt aangegeven dat zij in 1837 in Heeze gewerkt heeft.  Wellicht heeft zij of een familielid ook later Heeze nogmaals bezocht omdat van enkele werken gezegd wordt, dat zij in 1857 gemaakt zijn. Deze zijn gesigneerd als Henri Knip. Zij specialiseerde zich op een gegeven moment in romantische dierschilderingen en met name katten brachten haar bekendheid.
In Heeze heeft zij in 1837 meerdere werken gemaakt zoals het “park van kasteel Heeze 1837” (in 2015 nog geveild), ruïne van de kerk te Heeze 1837, (universiteitsbibliotheek Leiden) en “boerderij Heeze 1837). De oude pastorie aan de Jan Deckersstraat is gedateerd in 1857 evenals een werk van het kasteel van Heeze. Andere werken van haar zijn in bezit van kasteel Heeze. Via deze kunstenaarsfamilie moet Heeze zeker onder de aandacht van andere schilders zijn gekomen. Vanaf circa 1850 woonde zijn in Brussel op diverse locaties. Dat is ook het moment waarop zij haar onderwerpen gaat veranderen. Haar werk is wereldberoemd. Het is niet uit te sluiten, dat haar contacten met Anton Mauve en diens contacten met bijvoorbeeld Gabriël en anderen een basis hebben gelegd voor de aandacht voor Heeze door veel schilders vanuit België en daarna Nederland.
Ondanks het feit, dat het om mensen met een oogziekte ging, zorgde dominee Kremer voor een geweldig aantal overnachtingen in de logementen in Heeze.
De mensen die bij dominee Kremer in behandeling waren, verbleven normaal gesproken langere tijd in Heeze. Heeze had op dat moment al een aantal logementen. Op de eerste plaats was dat de “Pelikaan” van Jan van Dijk. Het logement lag op de hoek van de huidige St. Nicasiusstraat en de Kapelstraat.  Het logement werd later overgenomen door de familie Barendsma en het hotel kreeg toen ook de naam van de exploitant. Daarna werd het “Hostellerie du Chateau” en thans wordt het hotel nog steeds geëxploiteerd onder de naam “Hostellerie Vangaelen”.
Aan de andere kant van de hervormde kapel lag “De Jager” van Jan Giller die de bijnaam had “Jan de Jager”. Dit logement bestaat niet meer. Het toenmalige pand is nu gesplitst in twee woningen. Ook de toenmalige burgemeester A.J. Deelen was naast burgemeester en aannemer ook herbergier en vermoedelijk ook logementhouder. Deelen woonde in het huidige pand Kapelstraat 120, Naast Deelen lag oorspronkelijk op het huidige huisnummer 118 nog een logement. Omstreeks 1843 bood de toenmalige eigenaar Frans van den Berg ook logement aan de patiënten. Dit had tot gevolg dat de locatie zich door ontwikkelde tot een hotel. In 1903 kwam bij dit hotel ook nog de remise van de paardentram te liggen. Het hotel kwam in 1953 in handen van de familie Baijens waarna het pand met name bekend werd als restaurant.
Na een veiling in 1982 kwam in feite een einde aan de roemrijke geschiedenis van dit pand. In 1988 werd het gesloopt om plaats te maken voor een supermarkt.
Deze logementen waren echter lang niet voldoende om alle patiënten onderdak te bieden. Veel mensen gingen daarom in pension bij cafés en de inwoners van Heeze. Zelfs de plaatselijke gevangenis achter de hervormde kerk werd gebruikt.
Dit groot aantal logementsmogelijkheden was ook van belang voor het zich kunnen ontwikkelen van Heeze als schilders dorp. Op de functie en het belang van de diverse logementen wordt teruggekomen in het hoofdstuk over het verblijf van de schilders in Heeze.
Duidelijk is, dat juist dominee Kremer heeft bijgedragen aan de naamsbekendheid van Heeze. Zeker de kunstminnende patiënten zullen het pittoreske Heeze onder de aandacht hebben gebracht van onder andere kunstschilders.
Dominee Kremer overleed in Heeze op 17 juni 1867 en daarmee kwam voor Heeze ook een einde aan een bijzondere periode.